Bumi, mijn nu 6-jarig ‘zoontje’, vliegt me om mijn nek
Even smachtte ik de eerste minuten naar de frisse, hollandse kou die we (mijn vriend Marcel en ik) vrijdagochtend 18 december achter ons lieten. De warme deken die Ghana is, ligt letterlijk over ons heen vanaf het moment dat we een voet over de vliegtuigdrempel heen zetten.
Na de ontvangst in de aankomsthal door een zingend en swingend koor, bogen van kerstlichtjes flikkerend in vijf kleuren en een uitgebreide knuffel van Vic, overviel me een vertrouwd gevoel. Ik ben terug, terug van weg geweest, en dat voelt gewoon en vanzelfsprekend op alle fronten.
Vic is een van de medewerkers van Meet Africa, zij woont in Accra en verzorgt de eerste opvang van deelnemers die vers komen ingevlogen vanuit Nederland. Na de rit door het chaotische en rumoerige verkeer, stond ik bij haar huis letterlijk oog in oog met het symbool van tijd: Carol. Twee jaar en drie maanden oud, geboren toen ik twee weken terug was in Nederland en naar mij vernoemd. Ze moest en zou aan me getoond worden door een trotse moeder. Een warm en gastvrij welkom in Accra .
De volgende dag 13 uur hobbelen in de bus om halverwege het land te komen, in Tamale. Voorkennis helpt: ‘zit en relax tot de bus eindelijk komt en vertrekt, zit en relax totdat je de eindbestemming hebt bereikt’. De gedachte aan power plate de luxe, zoals ik deze rit drie jaar geleden beschreef, doet me glimlachen.
Hoe bijzonder toen, hoe vanzelfsprekend nu dat het grootste gedeelte zeer slecht wegdek is en de zit af en toe erg ongemakkelijk. Ook worden we weer vergezeld door donderende preken op de radio, zeer duidelijk op de voor- en niet op de achtergrond. De troep van met name auto’s en de nog grotere hoeveelheid auto-onderdelen, valt ons op. Nogal een krom beeld van de werkelijkheid als je het nieuws van de klimaattop in Kopenhagen nog vers op je netvlies hebt.
Wij rijden zogenaamd energiezuinig, maar onze oude auto’s worden hier massaal gedumpt. Ghana ontwikkelt duidelijk. Overal waar niets was, staan nu nieuwe gebouwen, winkeltjes (lees containers), maar ook extra vuilnis kleurt het straatbeeld. Vodafone lijkt het land te hebben overgenomen: overal waar je kijkt vlaggen, borden en roodgekleurde huizen met hun logo. Ondertussen hap ik nog eens naar wat extra lucht, wennen aan de geur van vuren, uitlaatgassen en het stof van de Manhattanwind uit de Sahara , hoort bij het acclimatisatieproces.
Aangekomen in Tamale, twee dagen van ontmoeting en hereniging met alle even enthousiaste reacties. De moederoverste van mijn gastfamilie (De Taimako’s), ‘thanks God that I came back’. Bumi, mijn nu 6-jarige ‘ zoontje’, vliegt me om mijn nek. En zelfs mijn broodvrouwtje en de ober van mijn favoriete restaurant herkennen me en verwelkomen me alsof ik er gisteren nog was. Namaawu blijft herhalen hoe fijn ze het vindt dat ik er weer ben en hetzelfde geldt voor mij.
Terug in mijn gasthuis van toen, voorziet mijn gastvader ons á la minute van een preek. Hij is er niet over te spreken dat Marcel en ik EN niet getrouwd zijn EN nog steeds geen kind(eren) hebben. Het is onze plicht in ons korte leven te zorgen voor nageslacht. Daarvoor heeft God ons immers op de wereld gezet. Ik knik braaf en beloof beterschap, discussies met deze man kan ik beter uit de weg gaan. Hij is de baas in huis en dus ook over mij als ik te gast ben. Stiekem betrap ik mezelf op de gedachte: Het is maar voor even dit keer, maar wat een respect voor mezelf dat ik dit doorstaan heb….!



