Nooit met draden en staven in de achterbak rondrijden in Israël
Op reis of met vakantie vind ik het de moeite waard om de lokale supermarkten te bezoeken. Een bijzonder kaasje of een nieuw product ontdekken vind ik echt leuk. Ik ben ook niet zo’n bakken-op-het-strand persoon eigenlijk.
Zo kwam ik in een Portugese Lidl een eigen lijn whiskies tegen die na een uitgebreide test heel drinkbaar bleek. In de Verenigde Staten kan ik zwaar genieten van 25 meter ontbijtgranen, wasverzachters of wondpleisters. Schotland is een mekka voor diepgevroren maaltijden en in China is het een sport om te raden wat er in de verpakking zit. Omdat ik het Chinees niet beheers moet ik afgaan op vorm, kleurstelling en plaatjes. Niet noodzakelijk in die volgorde. Zo zal een analfabeet in Nederland ook winkelen, denk ik.
In Israël is shoppen voor de dagelijkse benodigdheden meer een uitdaging dan iets anders. Ongetwijfeld zijn er andere supermarkten dan de 5 à 10 die ik tot nu toe bezocht heb, maar dit kleine aantal had enkele bijzondere overeenkomsten.
De grotere supermarkten zijn vaak gevestigd in een winkelcentrum met parkeergarage. Voordat je een kaartje kunt trekken komt er eerst een veiligheidsmannetje bij je raampje met de vraag -meer een bevel- de achterklep te openen. Alle auto’s in Israël hebben een handzaam knopje waarmee dat kan zonder dat je zelf hoeft uit te stappen. De kofferbak wordt kort bekeken en als er niets verdachts te zien is wordt je gemaand door te rijden.
Onze auto was enkele keren volgeladen met koffers en babyspullen maar volgens mijn vrouw slaat de beambte alleen aan bij het zien van draden en staven. Het lijkt me dat kwaadwillende Palestijnen dit ook wel weten. Mijn gevoel van veiligheid is er nog niet mee vergroot.
Je passeert de tweede controle bij het binnengaan van de winkel waar elke vrouw haar tasje moet openen en alweer een mannetje een metaaldetector in de vorm van een klein tennisracket met vermoeide bewegingen langs je lichaam laat gaan. Het ding gaat altijd piepen bij mijn binnenzak waar de I-Phone woont. In het begin haalde ik die braaf te voorschijn maar omdat er niet eens naar gekeken werd, doe ik dat niet meer. Daarna volgt altijd de vraag of je een wapen draagt.
Het lijkt niet erg zinvol allemaal maar misschien is het een vorm van werkverschaffing?
Eenmaal doorgedrongen tot in de winkel is het altijd druk en de shoppers lijken voor meerdere weken in te slaan. Lezers die de tv-serie The Nanny kennen weten dat in het Joodse leven eten een centrale plaats inneemt. Misschien is het daarom dat het winkelwagentje dat voor jou aan de beurt is bij de kassa barstensvol geladen is en nauwelijks leger lijkt te worden als de eigenaresse (het zijn zelden mannen) de spullen op de band legt.
Een opmerkelijk verhaal is wat ik laatst meemaakte bij de buurtsuper. Er was 1 kassa open met een stuk of 5 wachtende klanten. De cassière stond tussen twee wagonladingen boodschappen op om privé te gaan bellen een stukje verderop in de winkel. Luid, met uithalen van pret en verbazing, zoals het kennelijk hoort als je vet en 16 bent.
Een internationaal functievereiste, komt het me voor. Na veel te lange tijd hing ze op, opende de kassa het verst bij de eerste vandaan en grauwde naar de wachtende klanten verderop. Die haastten zich in omgekeerde volgorde naar dit buitenkansje zodat de langstwachtende weer achteraan kwam te staan. Er werd door de klanten -voor mij onverstaanbaar want ik beheers ook het Hebreeuws niet- onderling wat gemompeld maar er was geen sprake van een opstand der onheus bejegenden die je in de VS beslist gezien had.
Nederlanders zijn ook vrij mak. Laten we vooral geen scène trappen lijkt het devies over het algemeen. Ikzelf heb het geduld van een baby en ga weleens in tegen een in mijn ogen slechte behandeling maar het voelt nooit natuurlijk en meestal eindig ik met een rooie kop en de wens op dat moment ergens anders te zijn. In Eritrea of op Rottumerplaat bijvoorbeeld.




Ga nu eens samen met een Arabische Israëliër naar zo’n supermarkt. Voor een vollediger plaatje.