Als een dweil kwam ik aan de arrivée
Het fietsseizoen is al weer aardig gevorderd. Ik lig goed op schema voor de 6109 kilometer, benodigd voor de magische grens van 100.000 kilometer die ik dit jaar wil bereiken. We hebben dan ook wel voorspoed gehad voor wat het weer betreft; dikwijls wel koud, maar meestal droog op fietsdagen.
Het is vrijdagavond 11 juni. “Het weerbericht voor morgen geeft géén regen” zegt mijn echtgenote. “Ik ga vroeg op, kan ik de achterkant van het tuinhuis schilderen.” ”Ik ga morgen fietsen” is mijn reactie. “Ik moet nog vroeger op, want ik heb om acht uur afgesproken in Andenne voor een toertocht van 110 kilometer; het is een uur rijden er naartoe.”
Op zaterdagmorgen om een uur of kwart voor zeven toch nog even op de buienradar gekeken. Er bleek juist een frontje te zijn gepasseerd, voorlopig was er niets meer van een bui te zien en de straten waren inmiddels al droog. Ruim een uur later, voor de start in Andenne was het wel grijs, maar hoewel ik van alles tegen regen bij me had, vond ik dat dit in de auto kon blijven. Mijn fietsmaatje Raoul vroeg nog: “Hebben we geen spatbordjes nodig?” “Nee hoor” was mijn antwoord: “En ik sleep mijn regenjack ook niet mee.”
De honderden andere deelnemers dachten er kennelijk ook zo over. De meeste vertrokken met korte mouwtjes, waar ik nog een windjackje aan had. We waren een kilometer of vijftien onderweg, toen het een beetje begon te miezeren. Ik keek eens naar mijn fietsmaatjes, zij bleken de spatbordjes wel te hebben gemonteerd. “Even stoppen” zei Raoul: “Dan trek ik even mijn regenjack aan.” Tien kilometer verder zagen we andere deelnemers tegen de plensregen schuilen in bushokjes. Ook een muziektent op een pleintje was druk bevolkt; in mijn misère neuriede ik zelf de mars erbij. Die zit nog in mijn hoofd uit een grijs verleden, als de vaste mars die de Sneeker harmonie altijd speelde. Als een dweil kwam ik aan de arrivée, met een fiets die ook een schoonmaakbeurtje nodig had.
Het is zondag 13 juni. “Zullen we een eindje gaan rijden?” vraagt mijn vrouw: “Het is met dit mooie weer zonde om thuis te zitten.” “Goed hoor” zeg ik: “Waar zou je naar toe willen?” “Kunnen we de route rijden, die jij gisteren hebt gefietst?” “Dat is goed, we kunnen gewoon de pijlen volgen die zijn aangebracht op de weg.”
De Ardennen in de zon of in de regen is een aanmerkelijk verschil. Van de regendag herinnerde ik me verassende – dikwijls onbelangrijke – details, zoals: ‘daar om de hoek ligt een tuinslang over de weg, even verderop ligt een zak teelaarde in een tuin, dezelfde als wij hebben.’ Op de zonnedag kon ik vooral genieten van de prachtige kastelen, indrukwekkende vergezichten en stromende beekjes. Alles wat de Ardennen zo mooi maakt.
Inmiddels is ook de achterkant van het tuinhuis geschilderd.




Tjeemig Age, 100.000 kilometer! Chapeau!!! En die 6109 kilometer is alleen nog maar even naar Zuid Italië… en terug