Zwarte Meindls


Soms loop ik even langs bij mijn oude vriend Alexandros. Hij is een BG, een Bekende Griek, want de route naar zijn optrekje is met borden aangegeven. De route voert door mijn straat, zodat ik een redelijk overzicht heb, hoeveel mensen hem op een zonnige dag met een bezoekje vereren.

Meestal in duo’s, soms in groepen, een enkeling in looppas. Alexandros woont in een oude kapel, op nummer 280 aan de achterkant van de berg Roudi en is, sinds hij geen bisschop meer is, eigenlijk altijd thuis.

Dat wil zeggen, zijn geest, want Alexandros is inmiddels heilig en al ruim 1700 jaar dood. Zijn graf van massief natuursteen staat echter nog opengeklapt voor de deur. De grendel van het toegangshek tot zijn erf oogt indrukwekkend, maar in de praktijk volstaat een simpel ijzerdraadje. In het voorjaar staan de bloemen er heuphoog en doorgaans is er geen ander geluid te horen dan het geklingklong van een verderop grazende kudde schapen. Het is kortom een mooie, rustige plek, die noodt tot contemplatie en vredige gedachten; een kaarsje voor hem branden behoort ook tot de mogelijkheden.

Onlangs heb ik hem op een zonnige dauwfrisse dag weer eens opgezocht. Het had die nacht behoorlijk gestormd, geonweerd en geregend, maar nu was het weer weer zoals in een kindertekening: witte lucht, blauwe wolken, gele noorderzon. Eerst steil omhoog het dorp uit, dan op de al vlakkere bergrand langs zijn collega Sint Giorgos, om dan uit het zicht te verdwijnen bij het ronden van de berg. Het uitzicht verandert bij elke stap. Onderweg de inmiddels bekende merktekens in het landschap, af en toe een cluster keutels op het pad. Geen medebezoekers te bekennen. Ik daal de laatste bocht af naar het toegangshek.

Ik friemel het ijzerdraadje los en betreed Alexandros’ erf. ‘Ya sas, Alexandros, ti kanete?’ groet ik gewoontegetrouw, terwijl ik zijn tombe nader. Even gewoontegetrouw geen antwoord. Er staat een klein plasje water in zijn graf en pal voor het hoofdeinde van zijn tombe ligt een drol. En niet zo’n kleintje ook. Matglanzend, geen vliegen. Hier is duidelijk werk van gemaakt. Een wiskundig perfect gedraaid chocolade softijsje, diameter = hoogte; bereken nu inhoud, volume en gewicht. Ik begrijp ineens ook waar de uitdrukking ‘puntgaaf’ vandaan komt. Vers en geurloos ook, maar onmiskenbaar authentiek, zonder nog een spoor van desintegratie. Een exemplaar waar je in de feestartikelenwinkel van Cor Wittenburg aan de Rozengracht nog een aardig bedrag voor moet overleggen voordat je het in neutrale luxeverpakking meekrijgt. ‘Hausgemacht’ zeggen ze er dan gniffelend bij.

Tijdens mijn gebogen observatie probeer ik mij de maker van dit organische kunstwerk voor te stellen. Schaap, geit, ezel of ander vee valt direct af. Een hond dan. Maar wel een grote, een dog of zo. Met een uitgebalanceerd voedingspatroon en een zeer regelmatig werkend darmgestel. Ik ken een paar honden in het dorp, maar die voldoen niet aan een mogelijk daderprofiel en hebben bovendien allemaal hun ketting als alibi. Hun baas zal dat desgevraagd onder ede bevestigen, want Griekse honden worden niet uitgelaten zoals in Nederland. Je kunt veel aanmerken op de manier waarop Grieken met hun milieu omgaan en over de troep die daarin onbekommerd achterlaten, maar niet dat hun beemden en bossen achteloos worden volgescheten door hun huisdieren. Van andere Grieken misschien, want hun eigen hond schijt uiteraard nooit. Geen hond dus. Blijft over: de mens.

De stimulerende werking van een dagelijkse wandeling op het menselijke darmgestel is ook mij genoegzaam bekend, maar de lengte van deze wandeling in aanmerking genomen, geeft dat meestal geen aanleiding tot sanitaire noodsituaties. Bij deze drol wijzen vorm, structuur, presentatie en locatie echter eerder op een koelbloedig uitgevoerde ‘met voorbedachten rade’ dan op een impulsieve ‘shit and run’. Ik leun met mijn stuitje tegen de rand van Alexandros’ tombe, plaats mijn voeten aan beide zijden van de drol en probeer te analyseren, hoe de dader/maker te werk moet zijn gegaan.

1. In alle rust. Het resultaat duidt niet op enige vorm van kramp of ongecontroleerde spasmen. Het hoofdeinde van de tombe zou daarbij zelfs letterlijk als een comfortabel steuntje in de rug hebben kunnen dienen.

2. In Franse hurkzit. Van grotere valhoogte zou zwaartekracht = G het werkstuk met zijn imploderende gevolgen op zijn minst hebben ontsierd. Gezien deze vermoedelijk geringe ‘werkhoogte’ veronderstel ik ook weinig belemmerende kledingstukken, mogelijk zelfs géén. Die zouden het zicht op het proces en het resultaat alleen maar nadelig kunnen beïnvloeden,

3. Met vrij uitzicht. Vanaf de plaats delict is het pad over een lengte van zeker honderd meter vrij te overzien. Omdat omgekeerd deze plek dus ook voor eventuele passanten langdurig en uitgebreid te observeren is, is het risico van verstoring van de benodigde concentratie zeker niet denkbeeldig.

4. Zonder papier. Althans niet waarneembaar, zoals dat bij andere ‘noodstops’ langs de route wel onmiskenbaar het geval is. Alexandros heeft geen enkele vorm van ‘papier hier – dankuwel’ op zijn terrein; je bent Eftelingattractie of je bent het niet. Dus óf je laat je afval gewoon uit je handen vallen – voor lege sigarettenpakjes is dit al landelijk geaccepteerd beleid – of je neemt het mee.

Ik overweeg net om een foto van het corpus delicti te maken, als schuin achter mij de deur van de kapel open gaat. Een jonge vrouw komt naar buiten. We kijken elkaar gelijktijdig aan. ‘Wat een onverwacht gezelschap’ lezen wij elkaars gedachten. Achter haar sluit een manspersoon piepend de deur. Ze stappen op mij af. Ik vrees een gesprek over koetjes en kalfjes. Of over het weer.

‘Wat een stilte hier, he?’ opent zij. Ze lijkt een jongere kopie van Astrid Joosten.

‘Ja, en je ziet geen mens’ valt hij bij. ‘Nou ja, behalve jij dan’ voegt hij grijnzend toe.

Ik zie dat ze naar beneden kijkt. Naar mijn schoenen. Naar tussen mijn schoenen. Ik volg haar blik.

Astrid speelt Twee voor twaalf. Gaat ze het opzoeken of raadt ze het woord? De D van drol.

‘Zwarte Meindls’ constateert zij, net voor haar bedenktijd verstrijkt. ‘Die had ik ook willen hebben, maar ze hadden mijn maat niet’ verzucht ze er achteraan, vergezeld van wat ik voor een kennersblik houd.

‘Nou, we gaan maar weer eens’ draait hij weg. ‘Ik ruik de expresso’s al!’ Weer die grijns. Ze draaien zich om en lopen zwijgend van me weg. Ze laten het hek open.

De volgende dag moet ik weer vroeg naar boven. Voor de reconstructie op de plaats delict. Ik kan Alexandros alles uitleggen. Mijn verklaring a decharge ken ik inmiddels uit mijn hoofd. Het hek is niet verzegeld, geen afzettingslint, geen mannen met witte pakken. Niemand die naar mijn naam, papieren of doel van mijn bezoek vraagt. Als ik verder het terrein oploop, zie ik het: alle sporen zijn verdwenen, het bewijsmateriaal incluis. Ik loop naar de kapel, wil aankloppen. Op de deur verwacht ik een papier met een mededeling op A4: zaak gesloten wegens gebrek aan bewijs. De deur klemt, maar gaat gewoon open. Binnen brandt een kaarsje.

Informatie en Links

Doe mee door te reageren, te volgen wat anderen hebben te zeggen, of door van uw blog naar hier te linken.


Andere Berichten

Reageer

Vertel ons wat u vindt. Sommige HTML-tags zijn toegestaan.

Reacties van lezers

Geef de eerste reactie!