Homo Patatis
In de jaren ‘50 bevatte iedere fles van het afwasmiddel Lodaline één onderdeel van een stukje speelgoed. Elk speeltje bestond uit zo’n 5 of 6 onderdeeltjes.
Nu speelde ik graag met auto’s, dieren en bootjes, maar de stapel afwas om op die manier één (1!) autootje, diertje of bootje compleet te krijgen, zou ons kleine gezin echter nog in geen jaren bij elkaar produceren. De kiem voor een levenslang knutseltrauma leek gelegd.
Ik had geen notie van zoiets als kansberekening, waarmee ik exact had kunnen berekenen, hoe vaak ik een onderdeel dubbel of zelfs driedubbel zou krijgen. Ook bestond er nog geen spoor van een www.lodalinevriendennetwerk.nl, waarop ik die frustrerende dubbelen bevredigend had kunnen ruilen voor een win-winsituatie.
Aan tere kinderzieltjes deed de marketingafdeling van Lodaline niet. Slechts dankzij een geniale pedagogische ingeving van mijn moeder ben ik voor volledige psychische ontsporing behoed (vind ik zelf).
Op een dag keerde zij van de Dappermarkt terug met bovenop haar boodschappen een plastic zakje. De opening was gesloten door een gevouwen stukje geel karton, waarop in vrolijke kleuren een aantal menselijke lichaamsdelen waren afgebeeld.
Slechts twee nietjes was ik van de echte lichaamsdelen in het zakje verwijderd. Ik stortte de inhoud op de keukentafel: twee bovenmaats oren, twee handen met vier vingers, een neus maat XXL, twee schoenen en een clownesk klein bolhoedje, alles afbreekbaar – zij het niet in de huidige, milieuvriendelijke betekenis – bevestigd aan een eveneens plastic stripje.
Door deze onderdelen met lucifers aan een aardappel te prikken, schiep ik de fysieke kruising tussen een bodybuilder en een koppoter: de homo patatis. Over dit kinderlijke geknutsel wordt in het huidige Photoshoptijdperk nog wel eens lacherig gedaan, maar ik geef het je te doen: gebruikmakend van de groffe contouren van het aardappelfysiek moest je toch een enigszins herkenbare gezichtsuitdrukking realiseren, terwijl het ook nog niet meeviel, het eindresultaat op zijn – uiteindelijk toch veel te kleine schoenen – zonder om te vallen rechtop te laten staan: kijk mam, met losse handen!
Ik bleek getalenteerd, want dankzij de gestage aanvoer van nieuwe lichaamsdelen en aardappels had ik al snel een extended family bij en in elkaar geknutseld, die ik triomfantelijk op de ombouw van mijn opklapbed had geëxposeerd. Sommige zelfs in handstand, op één been of anderszins gemutileerd. Jammer genoeg hield mijn vader niet van ‘knoeien met eten’ (hij had de oorlog meegemaakt) en dus verdween er af en toe op zijn gezag een hele familietak naar de keuken. Daar wachtte hen, ontdaan van al hun menselijke kenmerken, een wisse kookdood.
Tijdens het eten onderwierp ik de aardappelhompen op mijn bord aan een pathologisch-anatomische inspectie. Als ik onder de jus een corpus delicti herkende aan een vierkant lucifergaatje, prikte ik die aan mijn vork en hief dit, terwijl mijn vader ze consequent tot puree prakte, naar mijn moeder op. ‘Morgen weer markt’ zei ze dan met de samenzweerderige knipoog van een verzetsheldin.
Vele onbezorgde kinderjaren later kreeg ik opnieuw belangstelling voor contouren; ditmaal van het menselijk fysiek. Ik ontdekte vele exemplaren, die ik best in een rijtje op de ombouw van mijn opklapbed zou willen hebben, maar ook, dat de homo patatis, mijn aardappelmens, écht bestond.
Mannen vooral, vrouwen minder, voorzien van een indrukwekkend gevulde tors, waardoor hun aanhangende lichaamsdelen tot lucifers gereduceerd leken. Dat deze mensen ook kinderen naar hun evenbeeld konden scheppen, werd mij duidelijk, toen een dergelijk zwaarwegend gezin een tafeltje zocht in de taverna, waar ik mij op dat moment bevond. Zo’n tafeltje stond naast mij.
Ze namen plaats. Vader en puberzoon identiek grofstoffelijk als een topzware koppoter, moeder en tienerdochter fijnlijnig als ijle Lodalineflesjes. Toen de bediening arriveerde, bestelde de vader zoals Grieken dat doen: voor ongeveer tweemaal het gezelschap. In vloeiend Grieks hoorde ik hem vele van mijn favorieten opsommen. Om zich daarna tot mij te richten en ongevraagd te verklaren, hoe vaak ze al naar Griekenland kwamen en hoeveel ze van de Grieks00e keuken hielden.
Hij wees naar de open keuken. ‘Ik ben namelijk vegetariër met een aardappelallergie, dus die groenteschotels zijn perfect voor mij. Vooral hier. De beste briam ever.’
Met zijn andere hand klopte hij op zijn stoel, waarvan de poten nog maar half zichtbaar waren. ‘Alleen die kleuterstoeltjes zijn link voor mij. Die pootjes. Alsof ik op lucifers zit.’
De eerste gerechten werden gebracht en de familie wijdde zich geroutineerd aan het ritueel ‘vrij vorkprikken voor gevorderden’, dat in Griekenland ‘eten’ heet. Na een slok retsina boog de man zich naar mij over en priemde met zijn vork naar het tijdschrift op mijn tafel.
‘Ik herkende je Groene Amsterdammer. Abonnee?’
‘Losnummerlezer,’ schudde ik.
‘Proefabonnement,’ wees hij naar zichzelf en draaide zijn vork in de chorta.
‘Heb je laatst dat themanummer over luiheid gelezen?’ ging hij kauwpratend verder. ‘Fantastisch! Dat zou ik hier ook wel willen doen. Elk dag op een stoel zitten en genieten van wat er gebeurt. Meer niet.’
Hij hief zijn fles retsina, keek mij vragend aan en schonk mijn glas bij.
‘En daar dan verhaaltjes over schrijven,’ maakte hij zijn gedachten af.
We proostten, verbroederd.
Dandalos



