Griekse denksport
Vergeet schaken, dammen, bridgen. Sporten, waarbij het om de sport gaat, zijn er al genoeg. Met matches, medailles, media-aandacht. Een bond. Bobo’s. Niets van dat alles in de denksport: het denken is de sport. Ik denk, dus ik sport. Laatst heb ik de Olympus beklommen, dus ook nog op topniveau.
Als ik vertel, dat ik sport als ik denk, is dédain mijn deel. Bij denksport denken denksportleken vaak aan puzzelen, want hun schoonmoeder ‘heeft ook zo’n boekje’. Of het huwelijk van Willem Alexander en Maxima, in vijftien duizend stukjes. Denksport is onzichtbaar en ongevaarlijk. Overgewicht is geen probleem, nauwsluitende, netvliesscheurende kleding overbodig. Trainers, toernooien of teamgenoten eveneens. Kortom, denksport is niet sexy.
Oké, in de denksport komt het woord puzzel bovengemiddeld vaak voor. Vele denksporters verruilen hun HB-potlood voor een puzzelpen. Met het maken en verkopen van puzzels, puzzelboeken en puzzelwoordenboeken is weliswaar een goede boterham te beleggen, maar om denksport gelijk te stellen aan het oplossen van raadsels, is een denkfout die ook denksporters zelf vaak maken.
De klassieke denksporter kent zijn specialismen. Naast het freestylen op het kruiswoordraadsel beoefent de allround denksporter ook het ana- en cryptogram. Brengt hij de doorloper, de woordzoeker en de meesterbreinpuzzel probleemloos tot een goed einde. Relaxt hij met een potje exoten: hersenbreker, visitekaartje, tovertrap, traliewerk, magisch kruis, zandloper, toverruit, paardesprong, trivia, hitori en karbonkel. Dat is toch andere klasse dan tweede divisie zaterdagmiddagspeedsudoku voor amateurs tot 55 kilo.
Om denksporter te worden is de krant de eenvoudigste manier. In bijna elk zichzelf respecterende krant is er wel eentje te vinden. Wie geen krant heeft, of een hogere dosering wil, is aangewezen op de kiosk. Daar wordt onmiddellijk duidelijk, dat denksport ook per strekkende meter wordt beoefend. Met één of meerdere sterren, en opvallend vaak op z’n Zweeds. Welkom in denksportland.
Pak een willekeurig exemplaar van het schap. Bekijk het. Op de voorkant ziet u de titel, het type, de moeilijkheidsgraad. Deze informatie wordt meestal gegroepeerd rond een foto. Een foto van een mens. Of een dier. Of allebei. U ziet een jonge vrouw in sportkleding. Zij buigt een arm over haar hoofd en staart in de verte. Wat denkt zij? Wordt het een bril of toch lenzen? Moet de buitenboel eindelijk eens gesopt? Is zij ongewenst zwanger? U weet het niet.
U ziet een jong stel, overduidelijk leuk bezig met elkaar. Hun tanden zijn zojuist gebleekt, dat zie je. Zij hangt aan zijn rug. Wat doen zij? Gaan zij paardje rijden? Is haar enkel verzwikt? U weet het niet.
U ziet een loerend luipaard of een lepe leeuwin in de savanne. Zij loensen langs de lens. Wat zien zij? Biedt zich buiten beeld een amechtige antilope aan? Herkennen zij de fotograaf? Deze mensen of dieren denken mogelijk aan van alles, maar zeker niet aan denksport.
In de titel staat ook steeds vaker het woord fit, in combinatie met het woord brein. De suggestie is, dat een fit brein goed voor u is. Voor nu, maar vooral voor later. Niemand weet echter, hoe een fit brein er later uit ziet, dus ziet u iets anders.
U ziet lachende, goed uitziende fotomodellen van amper veertig jaar over het strand huppelen, die met een grijze pruik op doen of ze fitte bejaarden zijn. Om hen heen lachende, goed uitziende minimodelkleinkinderen. Die een aanloop nemen alsof zij de achterwaartse arabier met dubbele schroef zullen demonstreren. Voor de foto. Denkt u. Althans, dat wordt u geacht te denken.
In werkelijkheid zeggen ze, buiten beeld, als de denksportfotograaf zijn plaatje geschoten heeft: ‘zorg altijd dat je er goed uitziet, schrijf je in bij de beste castingbureaus, dan word je later misschien net zo’n denksportmodel als ik’. De eerste echte bejaarde, die zich dankzij een rollatorgewijs bezoek aan het krachthonk van de denksportschool aan dreigende dementie heeft ontworsteld, moet echter nog geboren worden. Die kan een carrière als denksportcover wel vergeten. Dat gaat overigens op die leeftijd meestal vanzelf.
En nét als u heeft bedacht, dat covers van Denksportbladen in het geheel niets met de inhoud te maken hebben, bedenkt u, dat iemand ze toch gemáákt moet hebben. Dat iemand hierover heeft nagedacht. Voor is betaald. Voor heeft doorgeleerd. Maar wie? Daar moet u even over nadenken.
U probeert zich de persoon voor te stellen, die na een carrière als illustrator van de middelbare schoolkrant besluit om grafisch ontwerper te worden. Die na vijf jaar studie alle ins- en outs van het grafisch ontwerpen in de vingers heeft. Die daarna direct een eigen designbedrijf opricht, met als mission statement: vergeet het alfabet, wij maken ons eigen ABC!
U probeert zich de grafisch ontwerper voor te stellen, die na een dag vol deadlines, targets en pitches, ’s avonds bij zijn vrouw verzucht, dat het ingehuurde castingbureau nog steeds zoekt naar een sportieve, ongewenst zwangere en bijziende vrouw, bij wie hoognodig de buitenboel gesopt moet worden. Dat hij morgen de hele dag kwijt is, voor weer een fotoshoot met denksportstrandbejaarden. Dat hij overmorgen met een bevriende cameraman twee weken naar Kenia vertrekt, voor een nieuwe denksportfotoshootsafari. Iets met kruiswoordkoala’s of zo.
Bestaat hij? Wie is hij? U besluit dit raadsel op te lossen. U zendt uw oplossing aan de Wereldeditie.
Als goede inzender ontvangt u een exemplaar van… Wat denkt u?
Dandalos.



